bol 1

De manier waarop de leerinhouden naar leerlingen wordt overgedragen

VOORBEELDEN IN DE KLASPRAKTIJK


  • De leerkracht activeert voorkennis bij de start van de les.
  • De leerkracht expliciteert bij de start van de les een duidelijk doel, zodat kinderen expliciet weten waarom je les ertoe doet
  • De leerkracht geeft heldere instructies en verduidelijkt belangrijke concepten in functie van de te bereiken doelen en voorziet daarbij visuele ondersteuning. 
  • De leerkracht toetst regelmatig af of alle leerlingen de inhoud begrijpen (gerichte vraagstelling)
  • De leerkracht past de instructie aan, aan het beeld dat hij heeft van de klas en de kinderen en differentieert van hieruit in zijn instructie en handelen op vlak van inhouden, doelen, ondersteunings-, organisatie- en begeleidingsvormen (differentiatie naar interesse (waarom), leerstatus (wat) en leerprofiel (hoe)).
  • De leerkracht past de instructie en bijhorende ondersteuning aan aan de moeilijkheidsgraad van de opdracht.
  • De leerkracht maakt gebruik van verschillende manieren en tools om leerlingen inhoudelijk actief te betrekken.
  • De leerkracht maakt gebruik van flexibele leermethoden en -materialen (eventueel met technologische/digitale ondersteuning) om tijdens de instructie tegemoet te komen aan de leernoden van alle leerlingen in de klas.
  • De leerkracht presenteert en demonstreert de leerinhouden op verschillende manieren (visueel-verbaal-concreet-abstract).
  • De leerkracht biedt de leerlingen de leerstof stapsgewijs aan met ruimte voor oefenen na elke stap.
  • De leerkracht voorziet ruimte en tijd voor elke leerling om (mentaal) actief te oefenen.
  • De leerkracht stelt activerende en open vragen aan elke leerling
  • De leerkracht biedt keuzemogelijkheden in leertaken aan rekening houdend met de vooropgestelde doelen en het kind- en klasbeeld.
  • De leerkracht stuurt in zijn instructies de zelfsturing van de kinderen (met oog voor executieve functies bij de kinderen).
Share by: